Hendrik Roodhuyzen
1833-1910, Predikant
Hendrik Roodhuyzen (bijgenaamd ‘de rooie dominee’) werd op 11 april 1833 geboren te Oosterbeek als vierde kind van Hendrik Roodhuyzen, onderwijzer en kostschoolhouder, en Hester Boejenk. Hij huwde op 8 juni 1859 te Rotterdam met Catharina Elisabeth Mees (18301915),dochter van een Rotterdamse rechter,van wie hij in 1869 scheidde.In 1871 hertrouwde hij in Zaltbommel met Nanetta Leonora Jeannetta (Nanette) Philips (1834-1885), de jongste dochter van Lion Philips.Het echtpaar Roodhuyzen-Philips kreeg twee dochters.Roodhuyzen overleed te Zaltbommel op 5 maart 1910.
http://www.historici.nl/media/bwg/images/3/-042.jpg
Ds. Hendrik Roodhuyzen (foto: familiearchief Roodhuyzen, Den Haag/Den Bosch)

Hendrik Roodhuyzen groeide op in Oosterbeek en studeerde theologie aan de universiteit van Leiden, waar hij na het afleggen van het doctoraalexamen in 1858 promoveerde op een proefschrift over de hervormer Gnapheus. In 1859 werd hij beroepen naar de Hervormde Gemeente Brielsch Nieuwland, waar hij, in tegenstelling tot in latere jaren, een onopvallend bestaan heeft geleid. In 1862 volgde de beroeping naar Zaltbommel.

Als hervormd predikant was dr. Hendrik Roodhuyzen een van de meest opvallende notabelen van het Zaltbommel van de tweede helft van de 19de eeuw. De nieuwe predikant werd al gauw ‘de rooie dominee’ genoemd, en niet zonder reden. Steeds nam hij het op voor de maatschappelijk minder bedeelden, vooral als hij meende dat het stadsbestuur zich voor hen niet of niet voldoende inspande. We mogen aannemen dat hij hierin werd gesteund door zijn tweede vrouw, die veel van het gedachtegoed van Karl Marx tot het hare had gemaakt. Ze was houdster van lidmaatschapskaart nr. 1 van de Nederlandse afdeling van de in 1864 opgerichte socialistische Internationale.

Naast zijn predikantschap bekleedde Roodhuyzen nog een aantal andere functies. Zo was hij voorzitter van het Zaltbommelse departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, secretaris van de Vereeniging Volksonderwijs en curator, leraar, conrector en waarnemend rector van het stedelijk gymnasium. Hij was tevens lid van de Commissie van Toezicht op het Middelbaar Onderwijs, lid van het provinciaal kerkbestuur, en voorzitter van de ring Bommel van de classis Tiel van de Nederlandse Hervormde Kerk. Verder was hij de drijvende kracht achter de stichting van het Volksbondshuis in de Boschstraat, waarvoor hij op 5 september 1883 de eerste steen legde. Het gebouw diende tot huisvesting van het Koffiehuis van de Volksbond tegen Drankmisbruik en was tot 1973 als zodanig in gebruik. Thans heeft het de status van gemeentelijk monument.

De eerste jaren van Roodhuyzen als Zaltbommels predikant verliepen zonder opzien, maar later veroorzaakte hij grote problemen, onder andere met het bijhouden van de doop- trouw- en lidmatenboeken. Die werden volgens kerkelijk voorschrift viermaal per jaar door de kerkenraad gecontroleerd en gewaarmerkt. Roodhuyzen nam deze stukken vaak mee naar huis, en het gebeurde herhaaldelijk dat op een moment van voorgenomen controle de dominee niet beschikbaar was, en de stukken evenmin. De koster werd dan naar hem toe gestuurd om ze te halen, maar Roodhuyzen deelde dan doorgaans laconiek mee dat hij ze niet wilde afgeven. Ten slotte besloot de kerkenraad dat, als Roodhuyzen de stukken wilde inzien, hij dat aan de kerkenraad diende te vragen, die daarop van geval tot geval zou beslissen. Gedurende lange tijd daarna bleef Roodhuyzen weg van de kerkenraadsvergaderingen. Wel stuurde hij brieven, die doorgaans voor kennisgeving werden aangenomen. Vaak behoorde het aangeroerde onderwerp van de ‘missives’ niet tot de bevoegdheid van de kerkenraad. Die retourneerde de brieven dan, maar het gebeurde herhaaldelijk dat de predikant ze ongewijzigd voor de tweede keer liet bezorgen. Op 10 januari 1875 zouden enkele kerkenraadsleden bevestigd worden. Te elfder ure maakte Roodhuyzen schriftelijk bezwaar tegen de benoeming van twee van hen: ouderling T. van Kuyl en diaken B. van de Werk. “Het bezwaarschrift”, schreef Roodhuyzen, “grondt zich op der aangeklaagden ongeschiktheid en onwaardigheid tot het bekleeden van de betrekking van ouderling en diaken gelijk dat behoort.” Het classicaal bestuur kwam evenwel tot de conclusie dat de bezwaren van Roodhuyzen ongegrond waren.

Roodhuizen was vele jaren betrokken bij het onderwijs aan het stedelijk gymnasium. In 1863 was er een vacature in het college van curatoren. Het college stelde een voordracht op, waarop als eerste de stadsgeneesheer dr. A.J.W. van Anrooy geplaatst werd, en als tweede diens neef, de stadsapotheker dr. P.G. van Anrooy. Buiten de voordracht om benoemde de gemeenteraad echter ds. Roodhuyzen. De raadsnotulen maken geen melding van enige discussie; die is vrijwel zeker op een voorafgaand gezellig avondje gevoerd.

Roodhuyzen deed zijn werk als curator met grote toewijding. Hij schreef een rapport tot verbetering van het onderwijs op het gymnasium. Al spoedig werd hij secretaris van het college van curatoren. Buiten bezwaar van de gemeentekas gaf hij les in levende talen. Als er een vacature in het rectoraat was – en dat gebeurde nogal eens – was hij steeds zonder aarzeling bereid tot waarneming. Hij deed dat dan graag samen met zijn studievriend, de erudiete collega-predikant dr. J.G.R. Acquoy, die in 1878 als kerkelijk hoogleraar naar Leiden zou vertrekken. De waarneming van het rectoraat was geen geringe belasting, want alleen al de lessen in oude talen vergden ongeveer twintig klokuren per week. Voor de waarneming ontvingen Roodhuyzen en Acquoy de daarvoor op de gemeentebegroting gereserveerde vergoeding. De raad ging daarmee telkens graag akkoord; die was blij dat steeds toegewijde vervangers beschikbaar waren.

Maar op een keer ging het mis, en wel in 1876 na het vertrek van rector dr. J. van der Vliet. De waarneming was vooraf in het college van curatoren besproken. Curator burgemeester W.F. Ketjen zou de zaak met het gemeentebestuur in orde maken. Maar dat vergat hij en tot overmaat van ramp kwam hij korte tijd later te overlijden. Toen Roodhuyzen om betaling vroeg wist de raad van niets en vroeg daarom aan de curatoren welk besluit aan het verzoek van Roodhuyzen ten grondslag lag. De curatoren reageerden verontwaardigd: ze hadden eerder waardering verwacht voor de waarneming gedurende twee en een half jaar! Ze legden nog uit dat er iets mis was gegaan door het overlijden van Ketjen, maar daar had de raad geen boodschap aan. Die hield voet bij stuk en het is duidelijk dat hier iets achter stak.

De sociale betrokkenheid van Roodhuyzen was groot. Het doen en laten van het in zijn ogen regenteske stadsbestuur volgde hij kritisch. Als hij reden tot ongenoegen meende te hebben – en dat gebeurde nogal eens – plaatste hij een ingezonden brief in de Zaltbommelsche Courant of de Arnhemsche Courant. In de laatste schreef hij onder het pseudoniem ‘een burgerman’. Op deze manier joeg hij natuurlijk de raadsleden en andere Bommelse notabelen tegen zich in het harnas, al wist men lange tijd niet zeker wie achter dit pseudoniem schuilging. Maar op zeker ogenblik maakte hij zich bekend, en dat was het begin van het einde van curator Roodhuyzen. Hoe kwam Roodhuyzen ertoe, zo te werk te gaan? We kunnen zijn optreden gedeeltelijk verklaren uit zijn maatschappelijke betrokkenheid, maar dat verklaart niet de anonimiteit waarachter hij zich jarenlang schuilhield.

We geven twee voorbeelden van de vele plaatselijke gebeurtenissen waarop Roodhuyzen reageerde. De straatverlichting door middel van gaslantarens was in Zaltbommel sedert 1857 geprivatiseerd. Toen was voor de duur van twintig jaar concessie verleend aan de firma Willemstijn uit Gorinchem. Twintig jaar later was de concessie in handen van de Bommelse zakenman Fred Philips. In het contract stond de bepaling dat na afloop van die twintig jaar de gemeente de fabriek en de straatlantaarns zou kunnen overnemen. Tegen de tijd dat het contract zou aflopen, trad het stadsbestuur met Philips in onderhandeling. De contacten liepen op niets uit, met als resultaat dat de gemeenteraad besloot tot de bouw van een nieuwe gasfabriek. Zo ontstond de unieke situatie dat Zaltbommel, een stad met nauwelijks 4000 inwoners, twee concurrerende gasfabrieken had. Roodhuyzen gebruikte in verband hiermee in een ingezonden stuk het woord ‘haat’ ten aanzien van Philips. Weliswaar schreef hij erbij dat men de aanwezigheid daarvan niet mocht veronderstellen, maar er was in sommige Zaltbommelse kringen wel terdege sprake van negatieve gevoelens ten opzichte van de familie Philips; in hun ogen waren ze “een familie van parvenu’s, gewezen joden nog wel, uit een kleinen winkel ontsproten”.

Een andere kwestie vond zijn aanleiding in het zilveren jubileum van kantonrechter mr. J.G. Thooft. Deze was door Roodhuyzen vaak op de korrel genomen vanwege zijn regentesk gedrag. Thooft vierde op 2 augustus 1878 zijn zilveren ambtsjubileum. In de Arnhemsche Courant verscheen een verslag van een anonieme ‘correspondent’. Daarin werd de jubilaris uitbundig geprezen. De ‘burgerman’ reageerde woedend. Hij vond de lofrede een aanfluiting, een bewijs van demoralisatie. Hij daagde de ‘correspondent’ uit, zich bekend te maken. Dan zou hij dat ook doen. De eerste onthulde toen, dat hij W.J. Bonte was, leraar Frans en Duits aan de Rijks Hogere Burgerschool te Zaltbommel. Hij was een prominent Bommelaar. Het college van B en W vroeg hem vaak om advies in onderwijszaken. In een buitengewoon felle brief laakte Bonte het gedrag van Roodhuyzen: “In geen geval wens ik te strijden met den ongenoemden, maar daarom niet onbekenden burgerman: daarvoor acht ik mijzelven te hoog. Met iemand van die onbeschaamdheid kan een fatsoenlijk mens zich niet afgeven.” Het gevolg was uiteindelijk dat in de gemeenteraad werd aangedrongen op het ontslag van curator Roodhuyzen, waartoe in oktober 1878 werd besloten. Vijftien jaar nadat hij door de Zaltbommelse gemeenteraad buiten de voordracht om tot curator was benoemd, werd hij door diezelfde raad uit het ambt ontslagen.

De landelijke pers stortte zich direct op de ‘quaestie Zaltbommel’. Zo berichtte Het Nieuws van den Dag van 18 november 1878: “Dat gaat zoo niet. De Bommelsche heeren zullen het geval Roodhuyzen nader moeten toelichten en ons in het artikel van den Burgerman het lasterlijke, leugenachtige en volksopruiende behooren aan te wijzen, willen zij ons beletten op onze beurt te vragen welke middeleeuwsche geest in het stedeke Zaltbommel voorzit, dat men meent zulke kleingeestige wraakoefeningen op zoo onhandige wijze straffeloos den teugel te mogen vieren.” In december 1878, dus al spoedig na zijn ontslag, verscheen Roodhuyzens boek Mijn ontslag als curator van de Latijnse school te Zalt-Bommel. Het bevat een groot aantal bijlagen (afschriften van krantenartikelen en verslagen van vergaderingen) over verschillende zaken waarmee Roodhuyzen zich had beziggehouden en waarvan hierboven de belangrijkste zijn vermeld. Het kwam niet in de handel wegens het overlijden van kantonrechter Thooft. In feite is het een uitvoerig pleidooi voor de persvrijheid en de verantwoordelijkheid van de pers. Roodhuyzen bleef ageren tegen wat hij maatschappelijke misstanden achtte, maar nu openlijk. Op 24 oktober 1883 diende hij bij Gedeputeerde Staten van Gelderland een bezwaarschrift in tegen de Zaltbommelse gemeentebegroting voor 1884. Gedeputeerde Staten zonden de brief om advies naar het gemeentebestuur, dat hem op 20 november behandelde. En hoe! Roodhuyzens bezwaarschrift werd, zonder zelfs te zijn voorgelezen, voor kennisgeving aangenomen.

Op 1 juli 1901 ging Roodhuyzen als predikant met emeritaat. Weer waren er problemen, want hij had de op het ontslag betrekking hebbende stukken na invulling niet aan de kerkenraad doorgegeven. In de maanden voor zijn afscheid bemoeide Roodhuyzen zich uitvoerig met zijn opvolging. Hierbij kwam hij vaak in aanvaring met zijn plaatselijke collega C.H. Boland, die daarbij, blijkens de kerkenraadsnotulen, meermalen “heftig” werd. Het probleem was de modaliteit van de te benoemen predikant. Roodhuyzen wilde een vrijzinnig en verdraagzaam man, Boland wilde iemand van orthodoxe signatuur. We lezen een uitspraak van ds. Boland: “De kerkeraad zal echter wel ds. Roodhuyzen volgen, zooals hij altijd doet. Het verheugt hem daarom dat hij [Roodhuyzen, DJS] weggaat.” Na zijn afscheid bleef Roodhuyzen in Zaltbommel wonen, waar hij in 1910 overleed. De kerkenraadnotulen maken geen melding van het definitieve vertrek van de predikant.

Werken

  • Het leven van Guilhelmus Gnapheus, een der eerste hervormers in Nederland, Amsterdam 1858 (dissertatie Rijksuniversiteit Leiden)
  • Mijn ontslag als curator van de Latijnse school te Zalt-Bommel, Zaltbommel 1879

Literatuur

  • K. Hooijer-Bruins, Domineesdochter in ’s-Graveland, domineesvrouw in Zaltbommel, Zaltbommel 1981
  • D.J. Smeenk, ‘De rooie dominee’, in: Tussen de Voorn en Loevestein 29 (1993), 148-169
  • M. Witteveen-Jansen, Twee eeuwen Philips in Zaltbommel, Zaltbommel 1991

Bronnen

  • Streekarchief Bommelerwaard (SAB), Zaltbommel, Archief van de gemeente Zaltbommel 1816-1928, inv.nrs. 13-22, 329-381, 866-872, 995-1017, 2594-2596
  • SAB, Archief van de Hervormde Gemeente Zaltbommel, inv.nrs. 8 en 9
D.J. Smeenk
Uit: Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 3, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Redactie: drs. C.A.M. Gietman (eindredactie), drs. R.M. Kemperink, dr. J.A.E. Kuys, E. Pelzers en drs. P van Wissing .W.. Verloren Hilversum, 2002, pagina's 121-124.